Deel 3: Zijn wie je bent

een visie op de vorming van identiteit en loyaliteit 



‘Wie ben ik?’ is de meest wezenlijke vraag die iemand zichzelf kan stellen. 

Wie of wat maakt mij tot wie ik ben? Hoe ben ik zo geworden? Welke invloed hebben mijn ouders, mijn broers of zussen, mijn familie, mijn vrienden en mijn leraren op mij gehad? Met wie voel ik mij verbonden? Wie voelt zich verbonden met mij? In hoeverre heb ik een keuze om loyaal aan iemand te zijn? 

Het kan zijn dat deze vragen meer een rol spelen in iemands leven indien hij opgroeit onder moeilijke omstandigheden. Moeilijke omstandigheden kunnen zijn het opgroeien met een vader en/of moeder die verslaafd is aan alcohol, drugs of gokken. Hoe identiteit verbonden is met loyaliteit geeft Mechteld Jansen (Mulder, 2013) aan. 

Identiteit is een optelsom van loyaliteiten (Mechteld Jansen)

In de leeftijd van 12 tot 30 jaar zijn mensen volop bezig om te ontdekken wie ze zijn, wie ze willen zijn en is men loyaal aan anderen, ideeën, stromingen of organisaties. Deze verbindingen maken uiteindelijk wie men is. Hendrix (2001) geeft aan dat mensen niet zonder andere mensen kunnen. Het functioneren in netwerken geeft al betekenis aan mensen. Het geeft mensen het gevoel ergens bij te horen en dat geeft hen identiteit. Taylor, een Canadese filosoof, bekijkt de identiteit vanuit een breder perspectief. Mensen kunnen alleen hun eigen identiteit bepalen tegen de achtergrond van de geschiedenis, de natuur en de samenleving. Zonder horizon geen plaatsbepaling. Weten wie je bent, betekent dat men - met één oog op de ander en de omgeving, en één oog op jezelf - in staat is om te weten wat waardevol is en wat waardeloos, wat van betekenis en wat van ondergeschikt belang is (Van der Ven, 2013). 

Zowel Jansen, Hendrix als Taylor geven aan dat waar iemand zich mee verbonden voelt, deel uitmaakt van iemands identiteit. Dus als iemand lid is van een voetbalvereniging maakt dat deel uit van wie iemand is. Anderen hebben daar misschien ook ideeën over: ‘oh hij is een voetballer....dus sportief en die vindt het leuk om in een groep te sporten en het gezellig te hebben na de wedstrijd in de kantine’. ‘Ik hoor bij de... kakkers, alto’s, emo’s’, zeggen jongeren dan. Mensen herkennen zichzelf in andere mensen of groepen en daarmee begrijpt iemand zichzelf ook weer beter. Wanneer iemand zich nergens mee verbonden voelt is het ook veel lastiger te zeggen wie je bent. 

Bij het loyaal zijn aan iemand maken mensen voortdurend de afweging tussen het belang van de ander en hun eigen belang. Zo kan iemand dus loyaal zijn aan zijn ouders, een vereniging, een school of een politieke partij, maar het is ook belangrijk om loyaal te zijn aan jezelf. Op die manier kan iemand zijn grenzen aangeven wat goed voor hem is in relatie tot de verbinding die iemand met een ander heeft. Dus als iemand loyaal is aan de voetbalclub, dan kan diegene af en toe zelf een voetbaltoernooi organiseren maar als hij druk is met examens, dan kan hij beter loyaal zijn aan zichzelf en zijn huiswerk voorrang geven op de voetbalclub. Als iemand loyaal is aan zijn moeder en hij moet boodschappen doen voor zijn moeder (omdat zij vergeetachtig is vanwege haar alcoholgebruik) is het al veel lastiger om nee te zeggen en te kiezen voor zijn huiswerk. Een basisschool leerkracht geeft hierover het volgende aan: 'gezonde loyaliteit, dat is iemand ondersteunen, maar wel kritisch blijven. Op niet alles ‘ja en amen’ knikken en overal in meegaan wat een ander tegen je zegt. Dus loyaliteit staat en valt altijd bij je kritische blik'.

De loyaliteit (de verbinding met de ander en graag bij die ander willen horen) is groot tussen kinderen en hun ouders. Men spreekt van een onlosmakelijke band. Elk kind is zijn leven lang loyaal aan zijn ouders. Wat dat betreft sluit de titel van ons eerste boek naadloos aan bij het begrip loyaliteit:

Het blijven toch je ouders

Lola Brood verwoord haar loyaliteit ten opzichte van haar vader als volgt: ‘Ik houd nog steeds onvoorwaardelijk van mijn vader en ik neem hem dan ook niets kwalijk. Alhoewel, soms voer ik wel een strijd in mijn hoofd; zonder zijn verslaving had hij niet tot de Herman Brood uit kunnen groeien die hij was en nog steeds is. Als hij was gestopt met gebruiken, had ik nu nog wel mijn vader gehad’  (Donkers, 2011, p.31).

Volgens Burke en Stets (in Van der Stel, 2013) zijn mensen in eerste instantie erop uit hun identiteit zoals die gegeven wordt door hun ouders te handhaven. Het gedrag van mensen is dus niet zozeer gericht om de wereld te veranderen maar om deze terug te brengen in de oude situatie. Dit verklaart waarom verandering van identiteit zo moeizaam gaat en veel tijd kost. Mensen zijn dus eerst gericht op zich te identificeren met hun ouders en daarnaast zijn ze bezig om zichzelf te vinden. 

Wie ben jij? Aan wie of wat ben jij trouw? Wat wil jij, wat kun jij, wat kun je niet, waar ben jij goed in? Met wie of wat kan jij je identificeren? Waar kan jij je in herkennen of waar wil jij bij horen om jezelf te kunnen zijn?

Kinderen die opgroeien met een verslaafde ouder kunnen moeite hebben om hun eigen belangen te ontdekken en hun identiteit te ontwikkelen omdat er mogelijk vier knelpunten zijn in hun sociale omgeving. 

  • Ten eerste weet de ouder die verslaafd is vaak niet meer goed wie ze zelf zijn. Wilma geeft in haar verhaal aan dat ze in de tijd dat ze verslaafd was geen zelfrespect had (klik hier voor haar verhaal). Ze wist niet meer wie ze was en vergat wat ze zelf graag wou in het leven. ‘Mijn kinderen zijn altijd loyaal aan me gebleven in de tijd dat ik alcohol dronk. Maar ik was niet loyaal aan mezelf. Ik wist niet wie ik was en ik was niet verbonden met mezelf’. Ook Meino (Herman, 2012) geeft aan dat hij niet wist wie hij was, toen hij verslaafd raakte. Het kunnen spiegelen en identificeren aan de ouder die niet verslaafd is, is dus heel erg belangrijk in de ontwikkeling van een identiteit.
  • Ten tweede vraagt de thuissituatie soms van kinderen dat ze (langdurig) taken van de ouder over moeten nemen. Jonge kinderen komen op die manier niet toe aan spelen en jongeren hebben te weinig tijd om te ontdekken wat ze zelf graag in hun vrije tijd zouden willen ondernemen. Het kind (meestal het oudste kind in het gezin) neemt de ouderrol op zich om de situatie in huis leefbaar te maken. Indien dit voor korte tijd gebeurt hoeft dit geen invloed te hebben op de ontwikkeling van een kind. Maar indien ze langdurig de ouderrol op zich nemen (dit heet parentificatie) kan het problemen geven ook wat betreft een adequate losmaking van hun ouders en het vormen van een eigen identiteit (NJi, 2013). Sammy vertelt hierover het volgende: 'Ik werkte 20 uur naast mijn studie. Dat bijbaantje was om hem te onderhouden. Maar toen ik aangaf dat ik die combinatie niet meer trok reageerde hij met “stop maar met school en ga maar fulltime in de fabriek werken”. Toen was ik in één keer wakker (..) We kregen ruzie. Hij zei “rot maar op”. Ik zei “prima”. Er viel een hele last van mijn schouders en ik dacht nog “ik ben gek dat ik hier blijf.” (klik hier voor het verhaal van Sammy).
  • Ten derde zijn sommige kinderen van verslaafde ouders, of ze nu wel of niet de rol van de ouder op zich moeten nemen, vaak gericht op de ander omdat de thuissituatie vraagt om alertheid. Dat is hun overlevingsmechanisme aangezien het kind alert moet zijn op het humeur van zijn moeder of vader dat continue kan wisselen. Een hulpverlener zegt daar het volgende over: ‘...dus het zijn kinderen die meer op de anderen letten dan op zichzelf. Wat betreft het zorgen voor een ander, maar ook in het afstemmen van emoties en hoe aanwezig je bent in het gezin of niet”.

Oscar van den Boogaard (een Nederlandse auteur die opgroeide met een aan alcoholverslaafde moeder) geeft aan dat hij heel moeilijk zichzelf kon worden (Lo Galbo, 2013). 

Ik ben mijn moeder, ik moet voor haar zorgen, ik kan mezelf niet zijn (Oscar van den Boogaard)

Het kan voorkomen dat een jongere, die erg gericht op de emoties van zijn ouders is, zich ogenschijnlijk op een gezonde wijze ontwikkelt. Deze jongeren weten niet wat ze zelf nu eigenlijk graag willen. Een medewerker van de verslavingszorg: “De kinderen die juist niet opvallen moeten goed in het vizier worden gehouden. Jongeren waarvan ze op school zeggen dat ze daar echt niks mee te doen hebben. Zo’n lekker rustig meisje die met iedereen contact heeft. En als je het over identiteit hebt, de identiteit bij een ander weghaalt. En helemaal niet weet wat ze zelf nou wil en wat ze zelf nodig heeft. Zo’n meisje dat heel erg bezig is met: wat vraagt een klasgenootje van mij?. Zij wil dit doen, nou dan ga ik dat ook doen”

Een leerkracht uit het basisonderwijs bevestigt de voorbeeldrol die een kind op zich kan nemen maar in het voorbeeld waar hij over spreekt kan de ene dochter uit het gezin wel haar grenzen aangeven en de andere dochter niet. Beide dochters hebben een complexe verhouding met hun alcoholverslaafde moeder. Hij geeft daarover aan: “Op dat meisje was ook helemaal niets aan te merken. Het was een heel sociaal meisje, heel lief en aardig. Stond altijd voor anderen klaar en ik heb aan het einde van dat schooljaar wel een aantal keren een gesprek met haar aangeknoopt, want haar jongere zusje had er veel meer moeite mee. En daardoor kwam eigenlijk de boel aan het rollen. Dat zusje stapte huilend naar binnen en zei dat ze niet naar huis wilde, omdat haar moeder weer dronken was en klaar stond om haar een flink pak rammel te geven. Zo kwam ik er eigenlijk achter. Aan dat meisje dat bij mij in de klas zit kon ik niks merken. Helemaal niks. Ik heb aan haar gevraagd hoe ze dat deed, omdat haar zusje zoveel last had van het gedrag van haar moeder. Het meisje zei dan tegen haar moeder dat ze vond dat ze het niet meer moest doen. En als haar moeder vervelend tegen haar begon te doen, dan draaide ze zich om en liep ze naar haar kamer en dan luisterde ze gewoon niet als de moeder begon te schreeuwen. Dan luisterde ze gewoon niet. Dat was haar manier om er mee om te gaan. Samen met haar vader runde ze ook eigenlijk het huishouden”. 

Eenmaal volwassen zoeken deze jongeren vaak nog steeds naar waardering omdat ze deze weinig of nooit ontvangen hebben. Aardig gevonden worden is belangrijk. Dit is dan het resultaat van altijd alert te zijn op het gedrag van de ouder en het zoeken naar waardering. John Powell schreef het boek 'Why am I afraid to tell you who I am?'. In het boek wordt het antwoord gegeven: 'If I tell you who I am, you may not like me, and that is all I have'. Een treffende maar pijnlijke waarheid voor sommige mensen die opgroeiden in moeilijke omstandigheden.

  • Ten vierde kunnen kinderen van verslaafde ouders te weinig emotionele ondersteuning ontvangen van hun ouders. Daarom vinden zij het lastig om emoties bij zichzelf te herkennen en te uiten. Meino (zelf kind van een verslaafde ouder en zelf verslaafd geweest) geeft aan dat tijdens zijn jeugd zijn emoties niet aan de orde kwamen, ze werden niet besproken of onderzocht (Herman, 2012). Hierdoor kan het bewust onder ogen zien van emoties en benoemen van emoties ook angst oproepen. Marco (53 jaar) geeft aan dat kinderen van verslaafde ouders snel ‘people pleasers’ worden zelfs als ze hun eigen identiteit daarmee kwijtraken: “Dit heb ik vaak besproken met mijn therapeut. ‘In hoeverre ben je deze week een people pleaser geweest?’, zei ze dan tegen mij. Dit gaat heel onbewust. Dat je alsmaar met andere mensen bezig bent zodat je niet aan jezelf hoeft te denken. Voelen staat gelijk aan doodgaan zo’n beetje. O jee, als ik ga voelen dan word ik overspoeld” (persoonlijke mededeling, Marco, 1 december 2013).
    Richard geeft aan dat zijn (niet verslaafde) vader altijd aan hem vroeg hoe het met hem ging en dat hij daarom de ervaring heeft dat praten over hoe je je voelt helpt (klik hier voor zijn verhaal). Ook zijn zus Jacqueline heeft de ervaring dat praten helpt: “Vroeger was ik verdrietig en kropte ik alles op, maar nu kan ik er makkelijker over praten” (klik hier voor haar verhaal).

Voor een gezonde identiteitsvorming is het belangrijk om te weten wanneer men zich blij, bang, boos of bedroefd voelt. 

Er zijn vier aspecten die de socioloog Erikson onderscheidt om het gevoel van identiteit te verwerven. Indien iemand een identiteitsgevoel ontwikkelt dan heeft hij als eerste een ervaring van zichzelf als uniek persoon met innerlijke samenhang, die zich herkenbaar onderscheidt van anderen (Erikson in Van der Wal & De Wilde, 2011). Van de Wal en De Wilde (p. 61) schrijven hierover: “Daardoor kun je je morgen dezelfde persoon voelen als gisteren en vandaag, ook al doe je heel andere dingen, speel je heel verschillende rollen of heb je net een tattoo laten zetten”.
Familie, vrienden, leraren en professionals kunnen helpen met het vormen van identiteit. De (jong) volwassene moet dan door belangrijke anderen zich herkend en erkend weten in zijn identiteit. Dit is het tweede aspect dat nodig is om een gevoel van identiteit te verwerven (Erikson in Van der Wal & De Wilde, 2011). Het is dus heel belangrijk wanneer anderen tegen deze (jong)volwassenen kunnen zeggen waar iemand goed in is. Alice (klik hier voor haar verhaal) geeft aan dat ze gezien werd door een tekenleraar en dat haar kwaliteit erkend werd. Daarmee werd ze iemand: ‘iemand die goed kan tekenen’ en daarmee kan ze zichzelf verbinden met kunstenaars en een opleiding kiezen die bij haar past en waar ze anderen tegenkomt die het ook leuk vinden om zich creatief te uiten. Daarmee is ze dus verbonden met een opleiding en dat maakt dat ze kan zeggen ‘ik wil een kunstenaar zijn of ik voel me een kunstenaar’. Alice geeft aan dat het voor haar heel belangrijk is geweest dat haar tekenleraar haar talent zag en dat dat haar identiteit mede gevormd heeft. 

Steun krijgen van anderen is onontbeerlijk om jezelf (je ‘eigen ik’) te vinden.

Een derde aspect dat van belang is bij het gevoel van een identiteit is het besef van innerlijke vrijheid in afhankelijkheid (Erikson in Van der Wal & De Wilde). De jongvolwassene moet er achter komen wat zijn of haar eigen mogelijkheden zijn maar ook wat zijn of haar beperking is. Het zorgdragen voor de verslaafde ouder is een beperking die geaccepteerd moet worden, maar wat altijd een besef van innerlijke onvrijheid kan veroorzaken.
Het vierde en laatste aspect dat Erikson aanhaalt om het gevoel van identiteit te verwerven is het besef van een zinvolle toekomst (in Van der Wal & De Wilde). Het helpt wanneer de jongvolwassene doelen en idealen ontwikkelt zodat hij gemotiveerd wordt om ergens naar te streven. Deze doelen en idealen kunnen er ook voor zorgen dat iemand makkelijker keuzes kan maken en verantwoordelijkheden kan nemen.

Broers, zussen, de niet verslaafde ouder, vrienden, familie, buren, onderwijzers en hulpverleners kunnen helpen om de balans te vinden in het zorgen voor of zorgen maken over een verslaafde ouder. En deze naasten kunnen ook bijdragen aan iemands zoektocht naar ‘wie ben ik en met wie voel ik me verbonden’. Tenslotte kunnen zij de (jong) volwassene helpen om doelen en idealen te vinden die hem gemotiveerd houden om ergens naar te streven.

Daarom een oproep aan iedere burger uit Nederland om deze (jong)volwassenen vooral een knipoog te geven en een arm om de schouder te leggen en hen te laten ontdekken waar ze goed in zijn. Geef complimenten aan deze mensen, ze hebben dit nodig om zich te ontwikkelen en ze hebben het verdiend. Ondersteun hen bij het maken van doelen en idealen. Hiermee helpen we hen met het ontwikkelen van een zinvolle toekomst.

Uiteindelijk willen mensen het gevoel (terug)krijgen dat zij in harmonie leven met wat ze willen, kunnen, denken en voelen. Dat kunnen ze dan ervaren als ‘hun ware zelf’ (persoonlijke mededeling, Van der Stel, 11 februari 2014). Men ervaart dan wie men is, zonder daarbij zijn loyaliteit aan zijn ouders te ontkennen, te bagatelliseren, te overdrijven of te verdraaien. ‘Zijn wie je bent in verbondenheid met anderen’ daar willen de geïnterviewden uit deze publicatie en de auteurs mensen mee helpen. We hopen dat kinderen die opgroeiden in moeilijke omstandigheden (in alle leeftijden) steun en herkenning halen uit de verhalen uit deze publicatie. En misschien krijgt men wel de behoefte om zijn eigen verhaal te schrijven (klik hier voor deel 4 ‘Schrijf je eigen ervaringsverhaal’).



Voor de totstandkoming van deze vervolgpublicatie hebben Alieke Beld en Melanie Stomp hun bachelorrapport geschreven over de begrippen identiteit en loyaliteit. Download hier hun literatuurstudie naar de begrippen loyaliteit en identiteit.

Literatuurlijst 

Donkers, L. (2011). Broodband. Lef Magazine, 2, p.26 – 34. 

Hendrix, H. (2001). Bouwen aan netwerken, leer- en werkboek voor het bevorderen van sociale steun in de hulpverlening. Soest: Nelissen.

Herman, S. (2012). Vallen, opstaan en accepteren. Lef Magazine, 6, p. 12- 16. 

Lo Galbo, C. (2013). Licht leven is heel hard werken. Amsterdam: Vrij Nederland verkregen via http://www.vn.nl/Archief/Samenleving/Artikel-Samenleving/Licht-leven-is-heel-hard-werken-1.htm

Mulder, E. (2013). Identiteit is een optelsom van loyaliteiten. Trouw, vrijdag 22 februari, p.9.

Nji (2013). Jeugdige in de rol van de ouder. Nederlands Jeugd Instituut, D203, verkregen via http://www.nji.nl/nl/Kennis/Databanken/D203-Jeugdige-in-de-rol-van-ouder-(parentificatie)

Powell, J. (1995). Why am I afraid to tell you who I am. Insights into personal growths. Thomas More Pr.

Van der Stel, J. (2013). Zelfregulatie, ontwikkeling en herstel. Amsterdam: SWP.

Van der Ven, C. (2013). Ken de ander ken jezelf. Trouw, maandag 28 oktober, p.6.

Van der Wal, J. & Wilde, J. de (2011). Identiteitsontwikkeling en leerlingbegeleiding. Bussum: Uitgeverij Coutinho.